. 
Het nieuwe boek van Geert Wilders, dat 1 mei verschijnt, is opgedoken in de VS.
De presentatie van het boek staat gepland voor 1 mei in New York, als de onderhan-delingen in het Catshuis voorbij zijn, maar is al gewoon te bestellen op Amerikaanse boekensites. Op Amazon.com kost het boek 18,44 dollar, minder dan de adviesprijs van 27,95 dollar.

Geert Wilders noemt de Amerikaanse president Barack Obama in zijn boek een ‘dhimmi’. Die term, voor een onderdanige niet-moslim in een moslimstaat, gebruikt Wilders omdat Obama in 2009 bij een speech in Caïro beloofde te zullen vechten tegen negatieve stereotypen van de islam.
Wilders begint weliswaar scherp met zijn ‘opmerking’ over Obama, maar over het algemeen heeft de PVV-leider zich in Marked for Death: Islam’s War Against the West and Me een milde toon aangemeten.
Het aan ‘freedom’ (vrijheid) opgedragen Engelstalige boek dat inclusief voorwoord, een omvangrijke referentielijst en index 286 pagina’s telt, is nadrukkelijk bedoeld om de Verenigde Staten uitgebreid kennis te laten maken met de PVV-leider.
Wilders noemt zichzelf met trots ‘één van de meest pro-Amerikaanse Nederlandse politici en één van de grootste bewonderaars van de Amerikaanse ziel’. Hij citeert maar liefst twaalf Amerikaanse presidenten en roemt de verankering van de vrijheid van meningsuiting in de Amerikaanse grondwet (overigens merkt Wilders dat die vrijheid ook in de VS grenzen kent: het woord ‘fuck’ is gecensureerd tot ‘f***’).
Maar die vrijheid wordt bedreigd door de ‘totalitaire ideologie’ de islam. Om het gevaar van de islam te illustreren haalt hij de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog aan: zoals de Amerikanen zich ontworstelden aan het juk van de Britten, zo moet het Westen zich nu ontworstelen aan het juk van de islam.
‘Live free or die’ (leef in vrijheid of sterf), citeert Wilders generaal John Stark, die voor de Amerikaanse revolutie vocht.
Wilders uit de in Nederland bekende kritiek op de islam en de profeet Mohammed, en schrijft dat het nazisme in de islam ‘een kwade geestverwant’ zag. ‘De islam is het probleem en we moeten niet bang zijn om dat te zeggen.’ Wilders schrijft dat er in Nederland dankzij de invloed van zijn partij in het minderheidskabinet ‘een zee van verandering’ op gang is gekomen na ‘decennia van multiculturele verrotting’.
Trots constateert hij dat ‘de PVV een einde heeft gemaakt aan beleid dat leidde tot een parallelle islamitische samenleving.’ Wilders geeft ook een zeldzaam inkijkje in zijn jeugd, zijn reizen door het Midden-Oosten en Israël, en in zijn door beveiligers afgeschermde leven. Toen zijn vader in 2005 stierf, was Wilders erbij, mét de beveiligers die hem altijd vergezellen.
In de auto terug naar zijn beveiligde huis, barstte hij in tranen uit. ‘Zullen we even stoppen mijnheer?’, vroegen de in verlegenheid gebrachte beveiligers.
Wilders wil met voorbeelden als dit aangeven dat hij door zijn uitspraken over de islam in ‘een gevangenis’ is terechtgekomen, zonder enige privacy. Het zijn telkens kleine ‘onthullingen’ die de taaiere teksten doorspekken over de historie van de islam en de profeet Mohammed – waarbij wordt teruggeblikt tot het jaar 610 – die de voor Amerikanen onbekende Wilders een menselijk gezicht geven.
bron: de Limburg
Een van de eerste recensies van het boek
Als je jezelf noemt in de titel van je boek, dan schep je bepaalde verwachtingen. Wilders heeft zijn boek de ondertitel Islam’s War Against the West and Me meegegeven, maar de ‘mij’ in zijn boek komt er bekaaid af.
Dat is jammer, want de lezer wil, ongeacht hoe hij of zij over Wilders denkt, weten hoe het voelt om al bijna acht jaar te leven onder de dreiging van een gewelddadige dood. Hoe ga je om met de angst? Met het verlies van je privacy? Welke banden bouw je op met je bodyguards? Wat betekent het voor je vrouw? Voor je huwelijk? Voor een kinderwens? Voel je je eenzaam? Vervreemd van vrienden en familie? Ben je verdrietig? Boos? Depressief? Hoe zie je de toekomst? Kan je ooit in vrijheid leven?
Geert Wilders draagt zijn boek op aan de ‘vrijheid.’ Maar hij schrijft over de idee van vrijheid, niet over zijn persoonlijke beleving van de afwezigheid van vrijheid.
Er is slechts één moment waarop hij zijn emoties toont – bij de dood van zijn vader in augustus 2005. Wilders is – natuurlijk met zijn bodyguards – in zijn ouderlijk huis als zijn vader overlijdt. Maar hij kan er niet blijven, hij moet terug naar zijn schuilplaats. In de auto stort hij in. ‘Ik wilde sterk zijn, maar ik kon het niet,’ schrijft hij. ‘Ineens kwamen de tranen, er brak iets, ik moest zo huilen. Er zat geen rem meer op. De bodyguards voelden zich ongemakkelijk en in verlegenheid gebracht, ze wisten niet wat ze moesten doen. “Zullen we even stoppen, mijnheer?” vroeg een van hen. Het zijn goede, geschikte kerels, maar ze zijn vreemden – onhandige, ongaarne getuigen van mijn verdriet, op een moment waarop ik het meest behoefte heb om alleen te zijn of met mijn geliefden. “Nee, het is ok,” zei ik, maar de tranen bleven komen.’
Op dat moment voel je met Wilders mee. Met zijn verdriet en zijn situatie. Er zijn andere momenten in het boek wanneer hij over zichzelf schrijft. Meestal zijn het korte fragmenten, verstrooid tussen lange lappen tekst over de islam en de gevaren van de islamisering voor het westen. Zijn visie kennen we. En zijn aanklacht tegen de islam behelst geen nieuwe inzichten. Ze is overigens gespeend van extreme, opruiende taal. Wilders’ stijl is droog, bijna academisch, en het boek heeft zowel een bronnenregister als een index.
Terug naar zijn persoonlijke verhaal en het moment waarop zijn leven radicaal verandert: de moord op Theo van Gogh. Wilders werd toen al een dikke maand beschermd. In oktober 2004 dook een video op op internet die zijn onthoofding eistte. Maar de bodyguards die hij kreeg, omringden hem toen alleen als hij zijn huis in Venlo verliet. Twee dagen na de moord op Van Gogh brengen zijn bewakers hem thuis. Het is zeven uur ‘s avonds. Een kwartier later komen ze terug, in kogelvrije vesten en met mitrailleurs. Wilders moet in tien minuten z’n spullen pakken en wordt een gepantserde auto ingeduwd. ‘Dat was de laatste keer dat ik in mijn huis was,’ schrijft hij.
Urenlang rijden ze rond. Wilders – noch zijn bewakers – weten wat er precies aan de hand is of waar hij heen gaat. Rond middernacht leveren ze hem af bij een legerbarak in een bos vlakbij de Belgische grens. Wilders’ vrouw (hij noemt nooit haar naam) en Ayaan Hirsi Ali zijn er al. ‘Mijn vrouw en ik werden naar een kleine, ijskoude kamer gebracht. Er stonden alleen een tafel, twee stoelen en twee eenpersoonsbedden. We hadden geen warm water of verwarming.’
De volgende ochtend, als een vriendin van Ayaan naar de kazerne belt, moeten ze verkassen naar een school voor politieofficieren die leeg stond, want het was het weekend. ‘De volgende ochtend gingen we weer naar een andere locatie.’ En zo gaat het door. De rest van 2004 en het begin van 2005 worden ze steeds op andere locaties ondergebracht. ‘Soms in gevangenissen, soms in legerbarakken, soms in een huis of appartement.’ Wilders mag alleen uit de auto stappen in een vermomming: ‘een bruine pruik, een hoed, en slechtzittende snor.’
Op een zondagochtend, als ze in een legerbarak zitten, breekt er paniek uit. De sirene gaat af. ‘De bewakers grepen hun machinegeweren en namen hun posities in. Een van de bodyguards—een echte professioneel – stond onder de douche, hij rende naar buiten, greep zijn geweer, en spurtte spiernaakt en kletsnat naar zijn positie op het dak. Het vroor en ik weet niet hoe het mogelijk is dat hij geen longontstekking heeft opgelopen. Andere bewakers postten voor onze deur en schreeuwden dat we binnen moesten blijven. Het was angstaanjagend, maar het was loosalarm; blijkbaar had de stoom van de douche een brandalarm geactiveerd. Toen de militaire brandweer kwam, hielden de bewakers hen bij de kamer weg—zelfs de brandweermannen mochten niet weten dat Geert Wilders in de barak was.’
Klagen doet Wilders niet, ook al was het isolement extreem. ‘In die periode mochten mijn vrouw en ik niemand ontvangen—geen familie, geen vrienden, geen collega’s. Als de schoonmaakploeg kwam, moesten we onze kamer uit, want ze mochten ons niet zien.’ Ze woonden enige tijd in een klein houten huisje naast de landingsbaan van de militaire luchtbasis in Soesterberg. En in Kamp Zeist, notabene in dezelfde cel waar de Lybische Lockerbie-terrorist had gezeten. ‘Bittere ironie,’ noemt Wilders die toevalligheid. Kamp Zeist was trouwens comfortabeler dan eerdere plekken. Wilders en zijn vrouw schoven de twee eenpersoonsbedden naast elkaar en hingen hun kleren op in kasten. Ze hadden een eigen badkamer met douche en een woonkamer met een bank, een televisie, een rood tapijt en rode gordijnen voor de ramen met tralies. Over zijn huidige schuilplaats schrijft Wilders alleen dat het ‘kogelvrij’ is en dat er een ‘paniekkamertje’ is voor het geval ‘een van de aanhangers van de “godsdienst van de vrede” langs mijn bewakers mijn woning binnendringt.’
Vreemd is dat Marked for Death, geschreven voor een Amerikaans publiek, niets vermeldt over Wilders’ reizen en optredens in Amerika. Geen woord over zijn contacten met Amerikanen, de reacties op Fitna, de gesprekken die hij hier heeft gevoerd. Hij vermeldt wel zijn speech tegen de zogenaamde ‘Ground Zero moskee.’ Zijn kritiek op president Obama, prominent vermeld op de flap. betreft alleen de beroemde (in de ogen van Wilders beruchte) toespraak in Caïro aan het begin van Obama’s presidentschap. Zo zijn er tal van kwesties die Wilders wel aanroert maar niet uitwerkt. Hij schrijft wel over zijn tijd in Israël als achttienjarige – hij vond het collectivisme van een kibboets niets, want hij kon er geen geld verdienen – maar hij schrijft niet over recente bezoeken of over de Israël-politiek van dit moment.
Er zijn andere zaken die intrigeren. Wilders beschrijft dat hij eens – hij zegt niet wanneer – het slachtoffer was van een straatoverval in Kanaleneiland. Drie ‘Arabische jongens’, ‘roofdieren’, vallen hem aan, spuiten ‘een soort gas’ in z’n gezicht, slaan hem in elkaar als hij op de grond ligt en pakken zijn portefeuille af. ‘It was not the first time I had been robbed, nor would it be the last, but it was the only time I ended up in the hospital.’ Wie hem die andere keren heeft beroofd en wanneer, daarover schrijft hij niet.
Eén keer is Wilders onbedoeld geestig. Onbedoeld, want hij wist natuurlijk niet dat zijn boek zou worden gelezen net in de tijd dat hij uithaalt naar de Turkse president Gül. Het is 1994 en Wilders is in zijn hoedanigheid als fractiemedewerker van de VVD in Iran. Hij geeft een toespraak in Teheran en uit forse kritiek op het mensenrechtenbeleid van de Iraanse overheid. De volgende ochtend wordt hij op het matje geroepen bij het Iraanse ministerie van justitie: pas op, krijgt hij te horen, zo direct kan je zelf aan levende lijve ervaren wat onze opvattingen over mensenrechten zijn. Wilders besluit om direct te vertrekken. Op weg naar huis moet hij overstappen op een ander vliegtuig in Istanbul. ‘Upon arriving in Turkey, I literally kissed the ground, as if I were the pope.’
bron: vn.nl